Pagina's

Rubrieken

Archief

Diversen

Ciclista en Patagonia (05)

Door Jan: 16/12/08

In de baai bij Puerto San Julian ligt een scheepje: de “Nao Victoria”. Het is een replica van het schip waarmee Magellanes de Atlantische Oceaan was overgestoken. Eigenlijk staat het schip, want het rust op een betonnen ondergrond. Van een replica wordt vaak gezegd dat het nauwgezette kopie is. De masten waren van staal en omhuld met nephout (van plastic). De schepen van Magallanes hebben hier de winter doorgebracht in 1520. De opvarenden maakten kennis met de inheemse Tehuelche-indianen, van wie de voeten door het grote schoeisel (moccassins) indruk maakten. Magellanes noemde hen Patagoniërs”, grootvoeters”. Pata betekent voet , maar over de herkomst van “-gon” tasten we in het duister. Twee Tehuelche-mannen werden de pineut, dwz. collectors items. Afgeleid door klassieke snuisterijen werden ze in de boeien geslagen. De eerst wist te ontsnappen, de tweede overleed aan scheurbuik in de vers benoemde Mare Pacifico. Dat hij Paulus was gedoopt, had niet mogen helpen.

Daar in San Julian moesten de mannen ook de scheepsromp onderhouden. Om te breeuwen ontbrak het hun aan vlas, dus maakten ze gebruik van een inheemse vezelachtige plant die daar in overvloed groeit. De plant noemen de Tehuelches “ko-ó-nek”, maar de Spanjaarden “calafate” naar het werkwoord “calafatear”, dat wij ook kennen.

Van San Julian ben ik door de heuvels, over vlakten en door het dal van de Rio Chico gereden naar een kleine plaats met de lange naam Comandante Luis Piedra Buena. De grote kazerne daar zal er wel niet vreemd aan zijn. Epauletten en rangen, daar houden de Argentijnen wel van. Vandaar naar Rio Gallegos is het nog een heel eind en ik vroeg of er halverwege nog een plaats was om te overnachten. Twee mannen verzekerden mij onafhankelijk van elkaar dat er na 150 km een motel was. Het bleek al na 105 km, voor een fietser meer dan een slok op een borrel. De eigenaar heette Colin Jamieson en hij was de vijfde generatie van Schotse emigranten. Hij woonde met vrouw en zoontjes in Rio Gallegos en was om de week in zijn motel in de vlakte. Een bestaan van een kustvaarderskapitein.

De derde dag begon fris, maar niet onaangenaam. Tegen het middaguur werd de lucht achter me donkergrijs. Ik hoorde onweer naderen. Bagage klaargemaakt voor regen. De lucht werd weer wat lichter en ik hoopte dat dit “tempeest” aan mij voorbij zou gaan… Het begon hard te waaien en ik rook sinds twee weken weer regen. Ik stopte en keek om. Hagel stoof me tegemoet. Om mijn fiets overeind te houden moest hem met de kop op de wind zetten. Staande kon ik mijn regenbroek niet aantrekken, dus kont op de grond en de pijpen om mijn voeten gewurmd, zittend achter de fietstassen. Een slapstick in de hagel. Het werd wit om me heen. Mijn bruine handen verkleumden. Regenjack en helm kreeg ik ook met moeite aan en op. Vrachtwagens reden met knipperlichten langzaam voorbij en verdwenen snel uit zicht. Om geen kou te vatten ben ik toen de hagel was overgegaan in regen weer de weg opgegaan. Met capuchon onder mijn helm is mijn gezicht en gehoor beperkter. Mijn spiegeltje begon door de kou kuren te krijgen en ik moest hem telkens weer in de juiste stand zetten om te zien of er iets van achteren naderde. De regen duurde anderhalf uur. Aan de horizon verscheen weer blauw; het ergste was voorbij.  Uit een kleine witte autobus stapten af en toe wegwerkers in oranje overalls die pilonen zetten op stukken vluchtstrook die verzakt waren. Zittend op een vangrail heb ik mijn sokken uitgewrongen en mijn voeten laten drogen. De wegwerkersbus stopte vlak bij me en ik kreeg meewarige blikken. Het bleef soppen in mijn schoenen. De wind wakkerde aan tot storm, zo zelfs dat ik in een paar seconden naar de linkerkant van de weg werd geblazen. Ik was er geheel door overrompeld. Daar probeerde ik verder te fietsen. Liever in de greppel dan onder een auto. Weer gerust op een vangrail, vast van plan bij de nadering van een pickup mijn duim op te steken. Die pickup kwam niet. Lange helling gelopen. Om staande te blijven vormden fiets, grond en ik een driehoek. Mijn banden hadden teer opgepakt en met al dat grind erop zagen ze eruit als bestrooide kersthoepels. De witte bus kwam weer in zicht. Toen ik erbij was vroeg ik of ik soms mee kon. Nee, want ze waren nog “working”. En de fietser, hij zwoegde voort.

Maar zie, een half uur later stopte de bus weer voor me en ze wilden me een lift geven. Bagage van de dragers, fiets in het gangpad, doorgegeven door de inzittenden naar achteren. Teer op de banden kon ze niet schelen. Karren maar. Al gauw vielen de namen Cruyff en Má¡xima, in die volgorde. Ging ik naar een hotel? Ook naar een “burdel”? De mannenhumor was niet van de lucht. Er werd gezongen en gefloten. Vrolijke jongens die Argentijnen.

We passeerden een kruispunt met de rare naam Güer Aike. Het tweede woord had ik vaker op de kaart zien staan en in de bibliotheek werd mijn vermoeden bevestigd dat het een inheems woord is. Güer Aike is een goede plaats om een kampement op te zetten, een Tehuelche-naam. Ik kreeg in de bibliotheek een paar boeken. Een ervan had de weidse naam “Toponimia patogónica de etimología araucana”.  De auteur: Juan Domingo Perón. Jawel, die! Aike had hij niet in zijn groot gedrukte lijst er  bij. Broddelwerk eerste klas. Er zijn vele Indianen-talen, maar JDP gooit de zaak maar op een hoop. Zijn boek, waarvan ook een Franse versie voor me lag, is uitgegeven door het Nationale Fonds voor der Kunsten, een staatsinstelling dus. Het mooiste Tehuelche woord dat ik vond: “i keu ken” (mijn voorouders).

Terwijl ik deze CEP schreef, suisde de wind onophoudelijk langs mijn hotelkamerraam. De bomen aan de overkant buigen en buigen maar…

Jan Postema

Rio Gallegos, provincie Santa Cruz, Argentinië

16 december 2008

http://www.fietsenmetjan.nl

Tags:

Nog geen commentaren »

Nog geen commentaren.

RSS feed voor commentaren op dit bericht. TrackBack URL

Geef commentaar

Je moet aangelogd zijn om commentaar te plaatsen.